En voor ik het wist, liepen ze haastig richting de uitgang.
Ik riep haar naam nog een keer, luider ditmaal, maar ze verdween al door de deur.
Mijn benen bewogen vanzelf. Ik rende achter hen aan, maar toen ik buiten kwam, was de straat leeg. Alleen een zwarte auto reed in de verte weg.
Ik bleef staan, verward en trillend. Was dit echt? Of had mijn geest me eindelijk bedrogen, na al die jaren van rouw?
Maar diep vanbinnen wist ik het: ik had haar gezien.
Ik had mijn dochter gezien. Levend.
Die nacht sliep ik niet. Mijn hoofd tolde van vragen.
De volgende ochtend ging ik terug naar het hotel en vroeg de verkoper in de cadeauwinkel of hij het stel had gezien.
Hij dacht even na en zei:
— Ja, ze waren hier gisteren. De vrouw vroeg me waar de haven was. Ze leken… een beetje gespannen.
De haven!
Zonder aarzelen stapte ik in een taxi en reed ernaartoe.
Een medewerker daar herinnerde zich ook een jong stel dat op een kleine boot was vertrokken naar een rustig eiland niet ver weg.
Ik huurde meteen een bootje en vroeg de schipper om me daarheen te brengen. Terwijl de zee onder ons glinsterde, probeerde ik mijn gedachten te ordenen. Wat als ze echt nog leefden? En waarom hadden ze dan niets laten weten?…….